Tao Te Tsjing
道德經
Inleiding
De Tao Te Ching (Daodejing, 道德經) is met de Zhuangzi de grondtekst van het Chinese daoïsme: eenentachtig korte hoofdstukken rijmproza, ontstaan in de late Strijdende Staten-periode. De traditie schrijft het boek toe aan Laozi, de “oude meester”, een tijdgenoot van Confucius; de moderne wetenschap plaatst de tekst eerder rond 400 v.Chr., en de Guodian-bamboestroken (ca. 300 v.Chr.) zijn de vroegste getuigen ervan. Deze editie is rechtstreeks uit het klassieke Chinees vertaald — de ontvangen recensie met het commentaar van Wang Bi (226–249) — en niet, zoals de meeste populaire versies, uit een Engelse parafrase.
Het boek valt uiteen in twee delen: de Tao ching (hoofdstukken 1–37), over de Weg, en de Te ching (38–81), over de kracht die uit de Weg voortkomt. Twee begrippen dragen alles. Dao (道), hier “de Weg”, is tegelijk het naamloze begin van hemel en aarde en de manier waarop de dingen zich vanzelf ontvouwen. De (德), hier “kracht”, is de innerlijke potentie die een ding of mens heeft wanneer het de Weg volgt — niet “deugd” in morele zin, tenzij de tekst die betekenis onmiskenbaar aanspeelt. Daaromheen bewegen de vaste beelden van het boek: het niet-handelen (無為, wu-wei), dat niets ongedaan laat; het onbewerkte blok (樸), de ongevormde eenvoud; het water dat wint doordat het wijkt; het pasgeboren kind; de wijze (聖人) die achteraan gaat en juist zo vooraan komt.
Wie de tekst leest, moet de paradox letterlijk nemen. “Handel door niet te handelen”, “te weten dat men niet weet”, “wint zonder te twisten” zijn precieze verbale tegenstellingen, geen vage mystiek; deze vertaling bouwt ze na zoals het Chinees ze bouwt, in korte, symmetrische regels, en gladstrijkt ze niet tot mooiweer. Waar de grondtekst werkelijk dubbelzinnig is, blijft de dubbelzinnigheid staan. Het beroemdste geval opent het boek: de zin 常無欲以觀其妙 laat zich lezen als “wie altijd zonder begeerte is, aanschouwt zijn verborgenheid” (zo hier vertaald, met Wang Bi), maar ook, met een andere interpunctie, als “door het altijddurende niet-zijn aanschouwt men zijn verborgenheid”. De eerste regel speelt bovendien op de dubbele zin van dao, dat zowel “Weg” als “spreken” betekent — een woordspeling die geen enkele vertaling volledig kan overdragen.
de naam die te noemen is, is niet de altijddurende naam.
Het naamloze is het begin van hemel en aarde;
het benoemde is de moeder van de tienduizend dingen.
Wie daarom altijd zonder begeerte is, aanschouwt zijn verborgenheid;
wie altijd begeerte heeft, aanschouwt zijn grenzen.
Deze twee komen uit hetzelfde voort en dragen verschillende namen;
samen heten zij het duister.
Duister en nog eens duister —
de poort van alle verborgenheid.
Wanneer allen het goede als goed kennen, dan is er reeds het niet-goede.
Zo brengen zijn en niet-zijn elkaar voort,
brengen zwaar en licht elkaar tot stand,
meten lang en kort zich aan elkaar,
neigen hoog en laag naar elkaar,
stemmen toon en klank op elkaar in,
volgen voor en na op elkaar.
Daarom vertoeft de wijze in de zaak van het niet-handelen
en oefent de leer die niet in woorden spreekt.
De tienduizend dingen ontstaan, en hij weigert er geen;
hij brengt voort en bezit niet,
hij handelt en steunt niet op zichzelf,
het werk komt tot voltooiing en hij blijft er niet bij wonen.
Juist omdat hij er niet bij blijft wonen, gaat het niet van hem heen.
Acht geen moeilijk te krijgen goederen hoog, en het volk zal niet stelen.
Toon niets begeerlijks, en het hart van het volk raakt niet in wanorde.
Daarom regeert de wijze zo:
hij ledigt hun harten en vult hun buiken,
verzwakt hun wil en versterkt hun beenderen.
Steeds houdt hij het volk zonder kennis en zonder begeerte,
zodat wie het weet, het niet waagt te handelen.
Handel door niet te handelen, en niets blijft ongeregeld.
Een afgrond — hij lijkt de oorsprong van de tienduizend dingen.
Hij stompt hun scherpte af,
ontwart hun verwarring,
tempert hun glans,
wordt één met hun stof.
Diep verscholen — hij lijkt te bestaan.
Ik weet niet wiens zoon hij is;
hij lijkt ouder dan de heerser der goden.
zij houden de tienduizend dingen voor strohonden.
De wijze is niet menslievend:
hij houdt de honderd geslachten voor strohonden.
De ruimte tussen hemel en aarde —
is zij niet als een blaasbalg?
Leeg, en toch niet te bezwijken;
in beweging, en des te meer levert zij op.
Veel woorden putten snel uit;
beter dat men het midden bewaart.
dat heet het duistere vrouwelijke.
De poort van het duistere vrouwelijke:
dat heet de wortel van hemel en aarde.
Onafgebroken, alsof zij bestaat;
gebruik haar, en zij raakt niet uitgeput.
Wat hemel en aarde in staat stelt te duren en te blijven,
is dat zij niet voor zichzelf leven;
daarom kunnen zij lang leven.
Zo stelt de wijze zichzelf achteraan, en juist zo komt hij vooraan;
hij houdt zichzelf buiten spel, en juist zo blijft hij behouden.
Is het niet omdat hij zonder eigenbelang is
dat hij zijn eigen belang kan verwezenlijken?
Water is goed doordat het de tienduizend dingen baat en niet twist;
het vertoeft op de plaats die de mensen verafschuwen,
en zo komt het de Weg nabij.
In wonen: goed is de plek.
In het hart: goed is de diepte.
In geven: goed is de menslievendheid.
In spreken: goed is de betrouwbaarheid.
In besturen: goed is de orde.
In zaken: goed is het vermogen.
In handelen: goed is het juiste tijdstip.
Juist omdat het niet twist, treft het geen blaam.
Scherpen en tot een punt slijpen — de scherpte houdt niet lang stand.
Een zaal vol goud en jade — niemand kan haar bewaken.
Rijk en aanzienlijk en daarbij hoogmoedig — men roept over zich het onheil af.
Het werk voltooid, zichzelf teruggetrokken:
dat is de Weg van de hemel.
Bundel je adem en bereik het weke — kun je zijn als een pasgeboren kind?
Reinig je duistere spiegel — kun je zijn zonder smet?
Bemin het land en regeer het volk — kun je zijn zonder handelen?
De hemelpoort gaat open en dicht — kun je het vrouwelijke zijn?
Helder en tot in de vier richtingen doordringend — kun je zijn zonder kennis?
Breng voort, voed op.
Breng voort en bezit niet,
handel en steun niet op jezelf,
laat groeien en heers niet:
dat heet de duistere kracht.
juist waar niets is, ligt het nut van de wagen.
Men kneedt klei tot een vat;
juist waar niets is, ligt het nut van het vat.
Men hakt deur en venster uit voor een vertrek;
juist waar niets is, ligt het nut van het vertrek.
Zo levert wat er is voordeel op,
en wat er niet is, levert het nut.
De vijf tonen maken het oor van de mens doof.
De vijf smaken bederven de mond van de mens.
Rennen en jagen maken het hart van de mens dol.
Moeilijk te krijgen goederen belemmeren zijn gang.
Daarom zorgt de wijze voor de buik en niet voor het oog;
zo verwerpt hij het ene en neemt het andere.
acht een groot leed als je eigen lichaam.
Wat betekent: gunst en schande schrikken beide op?
Gunst is iets ondergeschikts:
haar verkrijgen doet opschrikken,
haar verliezen doet opschrikken.
Dat betekent: gunst en schande schrikken beide op.
Wat betekent: acht een groot leed als je eigen lichaam?
Dat ik een groot leed kan hebben,
komt doordat ik een lichaam heb;
had ik geen lichaam,
welk leed zou ik dan hebben?
Wie dus zichzelf even hoog acht als de wereld,
aan hem kan men de wereld toevertrouwen;
wie zichzelf even lief heeft als de wereld,
aan hem kan men de wereld overlaten.
Wat men beluistert en niet hoort, heet het ijle.
Wat men grijpt en niet vat, heet het fijne.
Deze drie zijn niet tot op de bodem te doorgronden;
daarom versmelten zij tot één.
Zijn bovenkant is niet stralend,
zijn onderkant is niet duister.
Onafgebroken, en niet te benoemen,
keert het terug tot het dingloze.
Dat heet de gestalte zonder gestalte,
het beeld zonder ding;
dat heet het vage en zwevende.
Ga het tegemoet, en je ziet zijn hoofd niet;
volg het na, en je ziet zijn rug niet.
Houd vast aan de Weg van weleer
om het bestaande van nu te beheersen.
Wie het oerbegin kan kennen,
die heeft de draad van de Weg in handen.
waren fijn en verborgen, duister en doordringend,
zo diep dat men hen niet kon kennen.
Juist omdat men hen niet kon kennen,
beschrijf ik met moeite hun gestalte.
Behoedzaam, als wie in de winter een rivier oversteekt;
omzichtig, als wie de buren aan alle zijden vreest;
ingetogen, als een gast;
vloeiend, als ijs dat op smelten staat;
eenvoudig, als het onbewerkte blok;
weids, als een dal;
troebel, als vertroebeld water.
Wie kan het troebele tot rust brengen, zodat het langzaam helder wordt?
Wie kan het rustende zo lang in beweging brengen, dat het langzaam tot leven komt?
Wie deze Weg bewaart, wil niet volstromen.
Juist omdat hij niet volstroomt,
kan hij versleten zijn en toch niet aan vernieuwing toe.
bewaar de vaste rust.
De tienduizend dingen ontstaan alle tegelijk,
en ik aanschouw hun terugkeer.
De dingen zijn talloos,
en elk keert terug tot zijn wortel.
Terugkeren tot de wortel heet rust;
dat betekent het lot herstellen.
Het lot herstellen heet het altijddurende;
het altijddurende kennen heet helderheid.
Wie het altijddurende niet kent,
brengt roekeloos onheil voort.
Wie het altijddurende kent, is ruim;
ruim, en dus onpartijdig;
onpartijdig, en dus koninklijk;
koninklijk, en dus als de hemel;
als de hemel, en dus als de Weg;
als de Weg, en dus duurzaam.
Tot aan het einde van zijn lichaam loopt hij geen gevaar.
De volgende — men bemint en prijst hem.
De volgende — men vreest hem.
De volgende — men veracht hem.
Waar het vertrouwen tekortschiet,
daar is wantrouwen.
Aarzelend en spaarzaam met zijn woorden;
het werk voltooid, de zaken gedaan,
zegt het volk: dit deden wij vanzelf zo.
kwamen menslievendheid en gerechtigheid op.
Toen kennis en scherpzinnigheid verschenen,
kwam het grote bedrog op.
Toen de zes verwanten in onmin raakten,
kwamen kinderlijke plicht en ouderliefde op.
Toen het rijk in verwarring verzonk,
kwamen trouwe dienaren op.
en het volk vaart honderdvoudig beter.
Doe af met menslievendheid, verwerp gerechtigheid,
en het volk keert terug tot kinderlijke plicht en ouderliefde.
Doe af met vernuft, verwerp het gewin,
en dieven en rovers zijn er niet meer.
Deze drie zijn als opschrift niet toereikend;
laat daarom het volk iets hebben om zich aan te houden:
toon het eenvoudige, omvat het onbewerkte blok,
verminder het eigenbelang, beperk de begeerte.
Tussen een instemmend en een geveinsd antwoord —
hoe groot is het verschil?
Tussen het goede en het lelijke —
hoe groot is het onderscheid?
Wat de mensen vrezen, kan men niet nalaten te vrezen.
Wild en zonder einde — het houdt maar niet op!
De menigte is opgetogen,
als bij een groot offerfeest,
als wie in de lente een terras beklimt.
Ik alleen ben stil, zonder teken,
als een pasgeboren kind dat nog niet heeft geglimlacht;
uitgeput, als iemand die nergens heen kan keren.
De menigte heeft in overvloed,
ik alleen sta als iemand die alles heeft prijsgegeven.
Ik heb waarlijk het hart van een dwaas —
hoe verward!
De gewone mensen zijn helder en klaar,
ik alleen ben duister.
De gewone mensen zijn scherp en wakker,
ik alleen ben dof.
Kalm, als de zee;
rusteloos, als een wind zonder ophouden.
De menigte heeft alle iets waarmee zij zich redt,
ik alleen ben stug en lomp.
Ik alleen verschil van de anderen,
en acht het voeden aan de moeder hoog.
volgt enkel de Weg.
De Weg brengt de dingen voort,
vaag alleen, zwevend alleen.
Zwevend, vaag —
in zijn midden is een beeld.
Vaag, zwevend —
in zijn midden is een ding.
Diep, duister —
in zijn midden is een kern.
Die kern is volkomen echt;
in zijn midden is betrouwbaarheid.
Van nu tot in de oudheid
is zijn naam niet weggegaan;
daardoor overzie ik de oorsprong van alle dingen.
Hoe weet ik de gestalte van die oorsprong?
Juist hierdoor.
wat gebogen is, wordt recht;
wat hol is, wordt vol;
wat versleten is, wordt nieuw;
wie weinig heeft, verwerft;
wie veel heeft, raakt verward.
Daarom omvat de wijze het ene
en wordt zo de maatstaf voor de wereld.
Hij toont zichzelf niet, en daarom is hij helder.
Hij houdt zichzelf niet voor waar, en daarom straalt hij uit.
Hij beroemt zich niet, en daarom heeft hij verdienste.
Hij verheft zichzelf niet, en daarom houdt hij stand.
Juist omdat hij niet twist,
kan niemand in de wereld met hem twisten.
Wat de ouden noemden: wat krom is, blijft heel —
is dat een leeg woord?
Waarlijk, heel keert het tot hem terug.
Zo duurt een wervelwind geen ochtend,
een stortbui geen dag.
Wie brengt dit voort? Hemel en aarde.
Als hemel en aarde het al niet lang kunnen doen duren,
hoeveel te minder de mens?
Daarom, wie zich aan de Weg wijdt:
wie de Weg volgt, wordt één met de Weg;
wie de kracht volgt, wordt één met de kracht;
wie het verlies volgt, wordt één met het verlies.
Wie één is met de Weg — de Weg neemt hem met vreugde op.
Wie één is met de kracht — de kracht neemt hem met vreugde op.
Wie één is met het verlies — het verlies neemt hem met vreugde op.
Waar het vertrouwen tekortschiet, daar is wantrouwen.
Wie met grote passen loopt, komt niet vooruit.
Wie zichzelf toont, is niet helder.
Wie zichzelf voor waar houdt, straalt niet uit.
Wie zich beroemt, heeft geen verdienste.
Wie zich verheft, houdt geen stand.
Voor de Weg heten deze dingen:
overtollig voedsel, een last aan het lichaam.
De dingen verafschuwen ze wellicht;
daarom vertoeft wie de Weg heeft er niet bij.
vóór hemel en aarde geboren.
Stil, o zo eenzaam;
het staat alleen en verandert niet,
het gaat in kringen rond en loopt geen gevaar;
men kan het de moeder van de wereld noemen.
Ik ken zijn naam niet;
ik geef het het bijnaam "Weg",
en noem het, met moeite, "het grote".
Het grote heet: heengaand;
heengaand heet: ver;
ver heet: terugkerend.
Zo is de Weg groot, is de hemel groot, is de aarde groot,
en is ook de koning groot.
In het gebied zijn vier grote dingen,
en de koning is één daarvan.
De mens richt zich naar de aarde,
de aarde richt zich naar de hemel,
de hemel richt zich naar de Weg,
en de Weg richt zich naar wat vanzelf zo is.
de rust is de heer van de onrust.
Daarom reist de wijze een hele dag
zonder zijn zware wagen te verlaten.
Al heeft hij prachtige uitzichten,
hij verblijft er onbewogen, verheven boven.
Hoe kan de heer van tienduizend strijdwagens
om zijn persoon de wereld gering achten?
Uit lichtzinnigheid verliest men de wortel,
uit onrust verliest men de heerschappij.
Wie goed spreekt, laat geen fout of smet.
Wie goed rekent, gebruikt geen rekenstokken.
Wie goed sluit, gebruikt geen grendel, en toch is het niet te openen.
Wie goed bindt, gebruikt geen touw, en toch is het niet te ontknopen.
Daarom is de wijze steeds goed in het redden van mensen,
en zo verwerpt hij geen mens;
hij is steeds goed in het redden van dingen,
en zo verwerpt hij geen ding.
Dat heet: de helderheid overnemen.
Zo is de goede mens de leraar van de niet-goede,
en de niet-goede mens de grondstof voor de goede.
Wie zijn leraar niet acht
en zijn grondstof niet liefheeft,
dwaalt, hoe schrander ook, grondig;
dat heet het wezenlijke geheim.
en word de bergstroom van de wereld.
Wie de bergstroom van de wereld is,
van hem wijkt de altijddurende kracht niet,
en hij keert terug tot het pasgeboren kind.
Ken het witte, bewaar het zwarte,
en word de maatstaf van de wereld.
Wie de maatstaf van de wereld is,
bij hem faalt de altijddurende kracht niet,
en hij keert terug tot het grenzeloze.
Ken de glorie, bewaar de schande,
en word het dal van de wereld.
Wie het dal van de wereld is,
bij hem is de altijddurende kracht toereikend,
en hij keert terug tot het onbewerkte blok.
Wordt het blok bewerkt, dan worden er vaten van;
gebruikt de wijze het, dan wordt hij hoofd der ambten.
Zo snijdt de grote ordening niet.
ik zie dat het hem niet gelukt.
De wereld is een heilig vat;
men kan er niet naar handelen.
Wie handelt, verderft haar;
wie grijpt, verliest haar.
Zo gaan de dingen: het ene voorop, het andere erachter;
het ene ademt zacht, het andere blaast heftig;
het ene is sterk, het andere zwak;
het ene wordt gedragen, het andere valt.
Daarom mijdt de wijze het overdrevene,
mijdt de weelde, mijdt het buitensporige.
dwingt de wereld niet met wapens.
Zulk doen keert graag op zichzelf terug.
Waar legers gelegerd hebben,
groeien doornen en distels.
Na een groot leger volgt onvermijdelijk een jaar van onheil.
Wie goed is, brengt het tot een uitkomst en houdt daarbij op;
hij waagt het niet met geweld te grijpen.
Een uitkomst, maar zonder zich te beroemen;
een uitkomst, maar zonder zich te verheffen;
een uitkomst, maar zonder hoogmoed;
een uitkomst, omdat het niet anders kon;
een uitkomst, maar zonder geweld.
Zijn de dingen op hun sterkst, dan verouderen zij;
dat heet: tegen de Weg in.
Wat tegen de Weg ingaat, gaat vroeg te gronde.
de dingen verafschuwen ze wellicht,
daarom vertoeft wie de Weg heeft er niet bij.
De edele man acht in zijn woning de linkerzijde hoog,
maar wie wapens gebruikt, acht de rechterzijde hoog.
Wapens zijn onheilspellend gerei,
niet het gerei van de edele man;
gebruikt hij ze omdat het niet anders kan,
dan is onthechte kalmte het hoogste.
Hij zegeviert, maar roemt het niet;
wie het toch roemt, verheugt zich in het doden van mensen.
En wie zich verheugt in het doden van mensen,
kan zijn wil in de wereld niet doorzetten.
Bij gelukkige zaken acht men de linkerzijde hoog,
bij onheilszaken de rechterzijde.
De onderbevelhebber staat aan de linkerzijde,
de opperbevelhebber aan de rechter —
dat wil zeggen: men behandelt het naar de rite van de rouw.
Wanneer men een menigte doodt,
beween men hen met droefheid en verdriet;
heeft men in de strijd gezegevierd,
dan behandelt men het naar de rite van de rouw.
Het onbewerkte blok is klein,
en toch kan niemand in de wereld het aan zich onderwerpen.
Als vorsten en koningen het konden bewaren,
zouden de tienduizend dingen zich vanzelf onderwerpen.
Hemel en aarde verenigen zich
en laten zoete dauw neerdalen;
het volk beveelt niemand, en toch verdeelt het zich vanzelf gelijk.
Zodra men begint te ordenen, ontstaan er namen;
en zijn de namen er eenmaal,
dan moet men ook weten waar te stoppen.
Weten waar te stoppen — zo loopt men geen gevaar.
De Weg staat tot de wereld
als bergstromen en dalen tot rivieren en zeeën.
wie zichzelf kent, is helder.
Wie de mensen overwint, heeft kracht;
wie zichzelf overwint, is sterk.
Wie tevredenheid kent, is rijk.
Wie krachtig handelt, heeft wilskracht.
Wie zijn plaats niet verliest, houdt stand.
Wie sterft en niet vergaat, leeft lang.
hij kan naar links en naar rechts.
De tienduizend dingen steunen op hem om te leven, en hij weigert er geen;
het werk komt tot voltooiing, en hij eist geen naam.
Hij kleedt en voedt de tienduizend dingen en speelt niet de heer;
steeds zonder begeerte, kan men hem klein noemen.
De tienduizend dingen keren tot hem terug, en hij speelt niet de heer;
men kan hem groot noemen.
Juist omdat hij zichzelf tot het einde toe niet groot maakt,
kan hij zijn grootheid verwezenlijken.
en de wereld komt tot je.
Zij komt, en niets berokkent haar schade;
zij verkeert in rust, vrede en welzijn.
Muziek en lekkernij
doen de voorbijganger stilhouden;
maar wat de Weg uit de mond komt,
is vlak, o zonder smaak.
Aanschouw hem, en hij is niet te zien;
beluister hem, en hij is niet te horen;
gebruik hem, en hij raakt niet uitgeput.
Wil je iets verzwakken, dan moet je het eerst versterken.
Wil je iets afschaffen, dan moet je het eerst laten opbloeien.
Wil je iets ontnemen, dan moet je het eerst geven.
Dat heet: de verborgen helderheid.
Het weke en zwakke overwint het harde en sterke.
De vis mag de diepte niet verlaten;
de scherpe wapens van het land mag men de mensen niet tonen.
en toch laat hij niets ongedaan.
Als vorsten en koningen het konden bewaren,
zouden de tienduizend dingen zich vanzelf omvormen.
Vormen zij zich om en komt daarbij begeerte op,
dan zal ik hen tot rust brengen met het naamloze, onbewerkte blok.
Het naamloze, onbewerkte blok —
ook dat zal zonder begeerte zijn.
Zonder begeerte, en dus in rust:
en de wereld komt vanzelf tot orde.
De laagste kracht laat haar kracht niet los, en juist daarom heeft zij geen kracht.
De hoogste kracht handelt niet en heeft geen oogmerk;
de laagste kracht handelt en heeft een oogmerk.
De hoogste menslievendheid handelt en heeft geen oogmerk.
De hoogste gerechtigheid handelt en heeft een oogmerk.
De hoogste vormelijkheid handelt, en vindt zij geen weerklank,
dan rolt zij de mouwen op en dwingt af.
Zo komt na het verlies van de Weg de kracht,
na het verlies van de kracht de menslievendheid,
na het verlies van de menslievendheid de gerechtigheid,
na het verlies van de gerechtigheid de vormelijkheid.
En de vormelijkheid is de dunne schil van trouw en betrouwbaarheid,
en het begin van de wanorde.
Vooruitziende kennis is de bloesem van de Weg,
en het begin van de dwaasheid.
Daarom vertoeft de ware man bij het volle en niet bij het dunne,
bij het wezenlijke en niet bij de bloesem.
Zo verwerpt hij het ene en neemt het andere.
de hemel verwierf het ene en werd helder;
de aarde verwierf het ene en werd rustig;
de goden verwierven het ene en werden bezield;
het dal verwierf het ene en werd vol;
de tienduizend dingen verwierven het ene en werden geboren;
vorsten en koningen verwierven het ene en werden de ijkmaat van de wereld.
Zij allen bereikten dit door het ene.
Zou de hemel niet helder blijven, hij scheurde wellicht;
zou de aarde niet rustig blijven, zij barstte wellicht open;
zouden de goden niet bezield blijven, zij vergingen wellicht;
zou het dal niet vol blijven, het droogde wellicht uit;
zouden de tienduizend dingen niet geboren blijven worden, zij stierven wellicht uit;
zouden vorsten en koningen niet aanzienlijk en hoog blijven, zij vielen wellicht.
Zo heeft het aanzienlijke het geringe tot wortel,
en het hoge het lage tot grondslag.
Daarom noemen vorsten en koningen zichzelf "de verweesde", "de eenzame", "de onwaardige".
Is dit niet het geringe tot wortel nemen? Of niet?
Zo brengt het najagen van veel roem geen roem.
Wil niet glinsteren als jade,
maar hard en gewoon zijn als steen.
Zwakte is het gebruik van de Weg.
De tienduizend dingen van de wereld worden geboren uit het zijn,
en het zijn wordt geboren uit het niet-zijn.
dan spant hij zich in en beoefent hem.
Hoort de middelmatige geleerde van de Weg,
dan houdt hij hem half vast, half laat hij hem gaan.
Hoort de laagste geleerde van de Weg,
dan lacht hij hem luid uit.
Werd hij niet uitgelachen, dan zou hij de Weg niet waardig zijn.
Daarom luidt een oude spreuk:
de heldere Weg lijkt duister;
de voortgaande Weg lijkt terug te gaan;
de effen Weg lijkt oneffen;
de hoogste kracht lijkt een dal;
het grote wit lijkt bezoedeld;
de wijde kracht lijkt tekort te schieten;
de vaste kracht lijkt onvast;
het echte en zuivere lijkt vergankelijk;
het grote vierkant heeft geen hoeken;
het grote vat komt laat gereed;
de grote toon is nauwelijks te horen;
het grote beeld heeft geen vorm.
De Weg is verborgen en naamloos.
En juist de Weg is goed in geven en in voltooien.
het ene brengt de twee voort,
de twee brengen de drie voort,
de drie brengen de tienduizend dingen voort.
De tienduizend dingen dragen het schaduwzijdige op de rug en omvatten het zonzijdige,
en door de menging van de adem bereiken zij eendracht.
Wat de mensen verafschuwen —
juist "de verweesde", "de eenzame", "de onwaardige" —
daarmee noemen koningen en vorsten zichzelf.
Zo neemt men de dingen soms af, en zij nemen toe;
soms voegt men eraan toe, en zij nemen af.
Wat de mensen leren, leer ook ik:
"de gewelddadige sterft geen natuurlijke dood."
Dit wil ik tot vader van mijn leer maken.
drijft het hardste in de wereld voor zich uit.
Wat geen bestaan heeft, dringt binnen waar geen kier is;
daaraan ken ik het nut van het niet-handelen.
De leer die niet in woorden spreekt,
het nut van het niet-handelen —
weinigen in de wereld bereiken het.
Lichaam of goederen — wat weegt zwaarder?
Winnen of verliezen — wat is de kwaal?
Daarom: hevige gehechtheid brengt grote uitgave,
veel opsparen brengt zwaar verlies.
Wie tevredenheid kent, wordt niet vernederd;
wie weet waar te stoppen, loopt geen gevaar;
zo kan men lang duren.
en toch raakt zijn nut niet versleten.
Het grote volle lijkt leeg,
en toch raakt zijn nut niet uitgeput.
Het grote rechte lijkt krom.
Het grote vernuft lijkt onhandig.
De grote welsprekendheid lijkt stotterend.
Beweging overwint de koude,
rust overwint de hitte.
Helder en stil zijn — zo wordt men de ijkmaat van de wereld.
dan gebruikt men de rennende paarden om te mesten.
Heeft de wereld de Weg niet,
dan worden strijdrossen geboren in de voorsteden.
Geen ramp is groter dan geen tevredenheid te kennen;
geen fout is groter dan de begeerte om te verwerven.
Daarom: de tevredenheid van wie tevredenheid kent
is een altijddurende tevredenheid.
Zonder uit het venster te kijken, ziet men de Weg van de hemel.
Hoe verder men uitgaat,
des te minder men weet.
Daarom kent de wijze zonder te reizen,
benoemt hij zonder te zien,
voltooit hij zonder te handelen.
wie de Weg volgt, verliest dag na dag.
Hij verliest en verliest opnieuw,
tot hij bij het niet-handelen komt.
Hij handelt niet, en toch laat hij niets ongedaan.
De wereld wint men steeds door je niet met zaken te bemoeien;
zodra men zich met zaken bemoeit,
is men niet toereikend om de wereld te winnen.
hij maakt het hart van de honderd geslachten tot zijn hart.
Wie goed is, behandel ik goed;
wie niet goed is, behandel ik ook goed:
dat is de goedheid van de kracht.
Wie betrouwbaar is, vertrouw ik;
wie niet betrouwbaar is, vertrouw ik ook:
dat is de betrouwbaarheid van de kracht.
In de wereld trekt de wijze zich in zichzelf terug
en maakt om de wereld zijn hart ongescheiden.
De honderd geslachten richten hun oren en ogen op hem,
en de wijze behandelt hen allen als kinderen.
Metgezellen van het leven: drie op de tien.
Metgezellen van de dood: drie op de tien.
Mensen die leven, maar zich naar het gebied van de dood bewegen:
ook drie op de tien.
Waarom? Omdat zij het leven al te zeer najagen.
Ik heb horen zeggen: wie zijn leven goed weet te houden,
stoot te land niet op neushoorn of tijger,
draagt in het leger geen wapenrusting;
de neushoorn vindt geen plaats voor zijn hoorn,
de tijger vindt geen plaats voor zijn klauw,
het wapen vindt geen plaats voor zijn snede.
Waarom? Omdat hij geen gebied van de dood in zich heeft.
de kracht voedt hen op,
de dingen geven hun gestalte,
de omstandigheden voltooien hen.
Daarom is er geen van de tienduizend dingen
dat de Weg niet eert en de kracht niet hoogacht.
Dat de Weg geëerd en de kracht hooggeacht wordt —
niemand beveelt het, en toch is het altijd vanzelf zo.
Zo brengt de Weg hen voort,
voedt de kracht hen op;
laat hen groeien en gedijen,
geeft hun rust en beschutting,
voedt hen en dekt hen toe.
Hij brengt voort en bezit niet,
handelt en steunt niet op zichzelf,
laat groeien en heerst niet:
dat heet de duistere kracht.
dat men de moeder van de wereld noemt.
Heeft men eenmaal de moeder gevonden,
dan kent men daardoor de kinderen;
kent men eenmaal de kinderen,
dan keert men terug om de moeder te bewaren,
en tot aan het einde van zijn lichaam loopt men geen gevaar.
Sluit de openingen,
grendel de poort,
en tot aan het einde van je leven ken je geen moeite.
Open de openingen,
bemoei je met de zaken,
en tot aan het einde van je leven is er geen redding.
Het kleine zien heet helderheid;
het weke bewaren heet sterkte.
Gebruik zijn licht,
keer terug tot zijn helderheid,
laat je lichaam geen onheil na:
dat heet het altijddurende beoefenen.
en op de grote Weg ging,
dan zou ik alleen het afdwalen vrezen.
De grote Weg is volkomen effen,
en toch houdt het volk van paden.
Het hof is grondig geveegd,
maar de akkers zijn grondig verwilderd
en de schuren grondig leeg.
Men draagt geborduurde gewaden,
gordt scherpe zwaarden om,
is verzadigd van spijs en drank,
heeft goederen en rijkdom in overvloed:
dat heet gepoch van rovers.
Dat is niet de Weg!
wat goed omvat wordt, glipt niet weg;
zonen en kleinzonen zullen de offers zonder ophouden voortzetten.
Beoefen het in jezelf, en je kracht wordt echt;
beoefen het in je huis, en je kracht raakt in overvloed;
beoefen het in je dorp, en je kracht houdt stand;
beoefen het in je land, en je kracht wordt rijk;
beoefen het in de wereld, en je kracht wordt alomtegenwoordig.
Zo aanschouw ik het lichaam door het lichaam,
het huis door het huis,
het dorp door het dorp,
het land door het land,
de wereld door de wereld.
Hoe weet ik dat de wereld zo is?
Juist hierdoor.
is als een pasgeboren kind.
Giftige insecten en slangen steken het niet,
roofdieren grijpen het niet,
roofvogels slaan het niet.
Zijn beenderen zijn week, zijn pezen zacht, en toch is zijn greep vast.
Het kent de vereniging van vrouwelijk en mannelijk nog niet,
en toch verstijft het volkomen:
het toppunt van de kern.
Het kan de hele dag krijsen zonder hees te worden:
het toppunt van de eendracht.
De eendracht kennen heet het altijddurende;
het altijddurende kennen heet helderheid.
Het leven willen vermeerderen heet onheil;
het hart de adem laten dwingen heet geweld.
Zijn de dingen op hun sterkst, dan verouderen zij;
dat heet: tegen de Weg in.
Wat tegen de Weg ingaat, gaat vroeg te gronde.
wie spreekt, weet het niet.
Sluit de openingen,
grendel de poort,
stomp de scherpte af,
ontwar de verwarring,
temper de glans,
word één met het stof:
dat heet de duistere eenwording.
Zo kan men hem niet nader komen
en hem niet op afstand houden;
men kan hem niet baten
en hem niet schaden;
men kan hem niet verheffen
en hem niet vernederen.
Daarom is hij het aanzienlijkste in de wereld.
met het onverwachte hanteer je de wapens,
met het je-niet-bemoeien win je de wereld.
Hoe weet ik dat het zo is? Juist hierdoor.
Hoe meer verboden en taboes de wereld heeft,
des te armer wordt het volk.
Hoe meer scherpe werktuigen het volk heeft,
des te meer verwarring in het rijk.
Hoe meer vernuft en handigheid de mensen hebben,
des te meer wonderlijke dingen komen op.
Hoe meer wetten en bevelen worden afgekondigd,
des te meer dieven en rovers zijn er.
Daarom zegt de wijze:
"Ik handel niet, en het volk vormt zich vanzelf om.
Ik houd van rust, en het volk richt zichzelf vanzelf.
Ik bemoei mij met geen zaken, en het volk wordt vanzelf rijk.
Ik heb geen begeerte, en het volk wordt vanzelf het onbewerkte blok."
dan is het volk oprecht en eenvoudig.
Is het bestuur scherp en waakzaam,
dan is het volk gebroken en gebrekkig.
Onheil — het is waar het geluk op leunt.
Geluk — het is waar het onheil onder schuilt.
Wie kent hun uiterste grens?
Er is geen vast juist.
Het juiste wordt weer het onverwachte,
het goede wordt weer het onheilspellende.
De verdwazing van de mensen
duurt waarlijk al lang.
Daarom is de wijze recht zonder te snijden,
kantig zonder te kwetsen,
rechtuit zonder losbandig te zijn,
stralend zonder te verblinden.
is niets beter dan spaarzaamheid.
Juist door spaarzaamheid
onderwerpt men zich vroeg;
zich vroeg onderwerpen heet: rijkelijk kracht opstapelen;
stapelt men rijkelijk kracht op, dan is niets onoverwinnelijk;
is niets onoverwinnelijk, dan kent niemand de grens ervan;
kent niemand de grens ervan, dan kan men een land bezitten;
heeft men de moeder van het land,
dan kan men lang duren.
Dat heet: de wortels diep, de stronk vast;
de Weg van het lange leven en de duurzame blik.
is als een klein visje bakken.
Nadert men de wereld met de Weg,
dan tonen de geesten hun macht niet;
niet dat de geesten geen macht hebben,
maar hun macht schaadt de mensen niet;
niet dat hun macht de mensen niet schaadt,
ook de wijze schaadt de mensen niet.
Waar beide elkaar niet schaden,
keert de kracht wederzijds terug.
het is de samenvloeiing van de wereld,
het vrouwelijke van de wereld.
Het vrouwelijke overwint het mannelijke steeds door rust,
en door haar rust plaatst het zich onder.
Zo neemt een groot land, door zich onder een klein land te plaatsen,
het kleine land in;
en een klein land neemt, door zich onder een groot land te plaatsen,
het grote land in.
Zo neemt het ene in door zich te onderwerpen,
en het andere door onderworpen te zijn.
Een groot land wil niet meer dan mensen samen voeden;
een klein land wil niet meer dan mensen dienen.
Zo verkrijgen beide wat zij begeren;
maar het grote past het beter zich onder te plaatsen.
de schat van de goede mens,
de toevlucht van de niet-goede mens.
Met mooie woorden kan men iets verwerven,
met eervol gedrag kan men boven anderen uitkomen.
Maar dat een mens niet goed is —
waarom zou men hem verwerpen?
Daarom, wanneer men de Zoon des Hemels troont
en de drie hoogste ambten instelt:
al draagt men jade-schijven voor, met vier paarden erachter,
dat weegt niet op tegen zittend deze Weg voort te dragen.
Waarom achtten de ouden deze Weg zo hoog?
Zeiden zij niet: wie zoekt, verkrijgt door hem,
en wie schuld heeft, wordt door hem gevrijwaard?
Daarom is hij het aanzienlijkste in de wereld.
bemoei je met de zaken door je er niet mee te bemoeien,
proef het smaakloze.
Acht het kleine groot, het weinige veel.
Vergeld haat met kracht.
Beraam het moeilijke waar het nog gemakkelijk is;
doe het grote waar het nog klein is.
De moeilijke zaken van de wereld ontstaan altijd uit het gemakkelijke;
de grote zaken van de wereld ontstaan altijd uit het kleine.
Daarom doet de wijze tot het einde toe niets groots,
en juist zo kan hij het grote verwezenlijken.
Wie licht toezegt, wordt zeker weinig vertrouwd;
wie veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt zeker veel moeite.
Daarom acht de wijze zelfs het gemakkelijke moeilijk,
en juist zo ondervindt hij tot het einde toe geen moeite.
Wat nog geen teken geeft, is gemakkelijk te beramen.
Wat broos is, is gemakkelijk te breken.
Wat fijn is, is gemakkelijk te verstrooien.
Handel ernaar voordat het bestaat,
breng het op orde voordat het in wanorde raakt.
Een boom die je met beide armen omvat,
groeit uit een haarfijn spruitje;
een toren van negen verdiepingen
verrijst uit een hoop aarde;
een reis van duizend mijl
begint onder je voet.
Wie handelt, verderft het;
wie grijpt, verliest het.
Daarom handelt de wijze niet en verderft dus niets,
grijpt niet en verliest dus niets.
Wanneer mensen aan een zaak werken,
bederven zij haar steeds vlak voor de voltooiing.
Wees aan het einde even zorgvuldig als aan het begin,
en er is geen bedorven zaak.
Daarom begeert de wijze het niet-begeren
en acht hij moeilijk te krijgen goederen niet hoog;
hij leert het niet-leren
en keert terug tot wat de menigte voorbijgaat.
Zo ondersteunt hij wat vanzelf zo is bij de tienduizend dingen,
en waagt het niet te handelen.
gebruikten hem niet om het volk te verlichten,
maar om het eenvoudig te houden.
Dat het volk moeilijk te regeren is,
komt doordat het te veel weet.
Zo is wie met kennis een land regeert,
een rover van dat land;
en wie niet met kennis een land regeert,
een zegen voor dat land.
Wie deze twee kent, kent ook de maatstaf.
Steeds de maatstaf kennen,
dat heet de duistere kracht.
De duistere kracht is diep, o ver;
zij gaat, met de dingen mee, in tegengestelde richting,
en bereikt zo de grote overeenstemming.
is dat zij zich er goed onder plaatsen;
daarom kunnen zij de koningen van de honderd dalen zijn.
Wie dus boven het volk wil staan,
moet zich in zijn woorden eronder plaatsen;
wie het volk vooruit wil zijn,
moet zich met zijn persoon erachter stellen.
Zo staat de wijze boven, en het volk voelt geen last;
hij staat vooraan, en het volk voelt geen schade.
Zo verheugt de hele wereld zich hem voort te dragen en wordt zijn niet moe.
Juist omdat hij niet twist,
kan niemand in de wereld met hem twisten.
en toch onvergelijkelijk lijkt.
Juist omdat hij groot is, lijkt hij onvergelijkelijk.
Als hij ergens op leek,
dan was hij allang klein geworden!
Ik heb drie schatten,
die ik vasthoud en bewaar:
de eerste is mededogen,
de tweede is soberheid,
de derde is: niet durven voorop te lopen in de wereld.
Uit mededogen komt moed;
uit soberheid komt ruimte;
uit het niet durven voorop te lopen
komt het hoofd der vaten te kunnen worden.
Verwerp nu het mededogen en zoek toch de moed,
verwerp de soberheid en zoek toch de ruimte,
verwerp het achteraan en zoek toch het voorop —
dat is de dood!
Wie met mededogen strijdt, zegeviert;
wie met mededogen verdedigt, houdt stand.
Wie de hemel wil redden,
omgeeft hij met mededogen.
Wie goed strijdt, wordt niet toornig.
Wie de vijand goed overwint, gaat het gevecht niet aan.
Wie mensen goed inzet, plaatst zich onder hen.
Dat heet de kracht van het niet-twisten;
dat heet het aanwenden van de kracht van mensen;
dat heet: passen bij de hemel, het uiterste van de oudheid.
"Ik waag het niet de gastheer te zijn, maar wel de gast;
ik waag het niet een duim vooruit te gaan, maar ga liever een voet terug."
Dat heet: oprukken zonder op te rukken,
de mouwen opstropen zonder arm,
grijpen zonder vijand,
vasthouden zonder wapen.
Geen ramp is groter dan de vijand te licht te achten;
de vijand te licht achten kost mij bijna mijn schatten.
Zo, wanneer legers elkaar bevechten,
zegeviert wie treurt.
heel gemakkelijk in praktijk te brengen.
En toch kan niemand in de wereld ze begrijpen,
kan niemand ze in praktijk brengen.
Mijn woorden hebben een oorsprong,
mijn daden hebben een heer.
Juist omdat men dit niet weet,
kent men mij niet.
Wie mij kennen, zijn weinig;
wie mij navolgen, zijn aanzienlijk.
Daarom draagt de wijze grof gewaad
en bergt jade in zijn hart.
Niet te weten dat men weet, is een kwaal.
Juist wie de kwaal als kwaal ziet,
is daardoor niet ziek.
De wijze is niet ziek,
omdat hij de kwaal als kwaal ziet;
daardoor is hij niet ziek.
dan komt het grote gezag over hen.
Beperk hun woonplaats niet,
walg niet van hun bestaan.
Juist omdat men niet van hen walgt,
walgt men niet van hen.
Daarom kent de wijze zichzelf, maar toont zichzelf niet;
hij heeft zichzelf lief, maar acht zichzelf niet hoog.
Zo verwerpt hij het ene en neemt het andere.
wie moed toont in het niet-durven, blijft leven.
Van deze twee is het ene baat, het andere schade.
Wat de hemel verafschuwt —
wie kent de reden ervan?
Daarom acht zelfs de wijze het moeilijk.
De Weg van de hemel:
hij twist niet en overwint toch,
hij spreekt niet en antwoordt toch,
hij roept niet en men komt vanzelf,
hij is kalm en beraamt toch goed.
Het net van de hemel is wijd, o wijd;
grofmazig, en toch ontglipt niets.
hoe zou men het dan met de dood beangstigen?
Zou men het volk altijd de dood laten vrezen,
en ik de wonderdoeners kon grijpen en doden —
wie zou het dan nog wagen?
Er is altijd een beul die doodt;
wie in de plaats van die beul doodt,
is als wie in de plaats van de meester-timmerman hakt.
En wie in de plaats van de meester-timmerman hakt,
zal zelden zijn hand niet verwonden.
komt doordat de heersers boven te veel belasting opeten;
daarom lijdt het honger.
Dat het volk moeilijk te regeren is,
komt doordat de heersers boven handelen;
daarom is het moeilijk te regeren.
Dat het volk de dood licht acht,
komt doordat het al te zeer het leven najaagt;
daarom acht het de dood licht.
Juist wie zich niet om het leven bekommert,
is wijzer dan wie het leven hoogacht.
bij zijn dood hard en sterk.
De tienduizend dingen, grassen en bomen, zijn bij hun geboorte week en broos,
bij hun dood dor en verdroogd.
Zo zijn het harde en sterke de metgezellen van de dood,
en het weke en zwakke de metgezellen van het leven.
Daarom: is een leger sterk, dan zegeviert het niet;
is een boom sterk, dan wordt hij geveld.
Het sterke en grote staat onder,
het weke en zwakke staat boven.
is hij niet als het spannen van een boog?
Wat hoog is, wordt neergedrukt;
wat laag is, wordt opgeheven;
wat overvloed heeft, wordt verminderd;
wat tekortschiet, wordt aangevuld.
De Weg van de hemel vermindert wie overvloed heeft
en vult aan wie tekortschiet.
De weg van de mens is niet zo:
hij vermindert wie tekortschiet
om te dienen wie overvloed heeft.
Wie kan zijn overvloed aanwenden om de wereld te dienen?
Alleen wie de Weg heeft.
Daarom handelt de wijze en steunt niet op zichzelf,
voltooit het werk en blijft er niet bij wonen;
hij wil zijn bekwaamheid niet tonen.
en toch is er in het aanvallen van het harde en sterke
niets dat het kan overtreffen,
want niets kan zijn plaats innemen.
Dat het zwakke het sterke overwint,
dat het weke het harde overwint,
weet iedereen in de wereld,
en toch kan niemand het in praktijk brengen.
Daarom zegt de wijze:
"Wie de smaad van het land op zich neemt,
heet de heer van de altaren van land en graan;
wie het onheil van het land op zich neemt,
is de koning van de wereld."
Ware woorden lijken tegenstrijdig.
dan blijft er zeker een rest van wrok;
hoe kan dat goed zijn?
Daarom houdt de wijze de linkerhelft van de kerfstok
en maant de mensen niet.
Wie kracht heeft, waakt over de kerfstok;
wie geen kracht heeft, waakt over de inning.
De Weg van de hemel kent geen voorkeur;
hij staat altijd aan de zijde van de goede mens.
laat het gerei voor tien of honderd hebben en het niet gebruiken;
laat het volk de dood zwaar achten en niet ver wegtrekken.
Al zijn er boten en wagens,
er is geen gelegenheid ze te bestijgen;
al zijn er wapens en harnassen,
er is geen gelegenheid ze op te stellen.
Laat het volk weer touwen knopen en die gebruiken.
Laat hun voedsel hun zoet zijn,
hun kleding hun schoon,
hun woning hun rustig,
hun gebruiken hun een vreugde.
Naburige landen zien elkaar in de verte,
horen elkaars hanen en honden,
en toch komen de mensen, tot zij oud sterven,
niet bij elkaar over de vloer.
schone woorden zijn niet waar.
Wie goed is, redetwist niet;
wie redetwist, is niet goed.
Wie het weet, is niet belezen;
wie belezen is, weet het niet.
De wijze stapelt niet op:
hoe meer hij voor anderen doet, des te meer heeft hij zelf;
hoe meer hij aan anderen geeft, des te meer bezit hij zelf.
De Weg van de hemel: baten en niet schaden.
De weg van de wijze: handelen en niet twisten.